Home

Sleutelbegrippen

De termen en begrippen die hierna volgen zijn niet alfabetisch gerangschikt, maar volgens een logica die van de organisaties naar de methoden leidt.

ORGANISATIES

Europese Unie

De Europese Unie is in 1993 ingesteld door het Verdrag van Maastricht. De Unie wordt in het verdrag voorgesteld als "een nieuwe etappe in het proces van totstandbrenging van een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa". De Unie steunt op drie pijlers: de eerste pijler bestrijkt de "traditionele"communautaire dimensie (gemeenschappelijk landbouwbeleid, vervoer, interne markt, enz.), de tweede pijler het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de derde pijler de politiële en justitiële samenwerking. De tweede en de derde pijler verschillen van de eerste pijler door de voorschriften die erop van toepassing zijn.

Europese Gemeenschap

De Europese Gemeenschap is ontstaan door het Verdrag van Maastricht. Zij is in de plaats gekomen van de Europese Economische Gemeenschap. Zij bestrijkt onder andere de gebieden landbouw, douane-unie, milieu, vervoer, mededinging, vrij verkeer van personen, consumentenbescherming, monetair beleid en gemeenschappelijke handelspolitiek. Al deze beleidsterreinen vormen de zogenaamde eerste pijler (of de communautaire pijler). Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, waarop andere regels van toepassing zijn, vallen niet onder deze pijler.

VERDRAGEN

Verdrag van Maastricht

Het Verdrag van Maastricht is op 7 februari 1992 ondertekend en op 1 november 1993 in werking getreden. Het verdrag brengt de Gemeenschappen, het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken (JBZ) onder in één geheel, dat het de Europese Unie noemt. Het stelt de Economische en Monetaire Unie (EMU) met één munt (euro) in. Voorts is in het verdrag het begrip "Europees burgerschap" vastgelegd

en is er voorzien in een grotere participatie van het Europees Parlement aan de wetgevingsprocedure door te bepalen dat voor een reeks aangelegenheden de medebeslissingsprocedure (Raad/Parlement) moet worden gebruikt.

Verdrag van Amsterdam

Het Verdrag van Amsterdam is op 2 oktober 1997 ondertekend en op 1 mei 1999 in werking getreden. Dit verdrag wijzigt het Verdrag van Maastricht met name in het vooruitzicht van de nakende uitbreiding van de Europese Unie. Het voert onder meer een flexibiliteitsclausule in die onder bepaalde voorwaarden een nauwere samenwerking tussen een aantal lidstaten mogelijk maakt. Het hevelt een gedeelte van de gebieden van de derde pijler over naar de eerste pijler (de communautaire pijler), met name wat betreft het vrij verkeer van personen. Het verdrag stelt een communautair werkgelegenheidsbeleid in, voorziet in het beginsel van de toegang van de burgers tot de documenten van de instellingen, breidt het toepassingsgebied van de medebeslissingsprocedure uit en vergroot het aantal gevallen waarin de Raad met gekwalificeerde meerderheid kan beslissen.

BASISBEGINSELEN

Subsidiariteit en evenredigheid

Het subsidiariteitsbeginsel beoogt een besluitvorming te garanderen die zo dicht mogelijk bij de burger staat, waarbij voortdurend wordt nagegaan of de op communautair niveau te ondernemen actie gerechtvaardigd is in verhouding tot de mogelijkheden die op nationaal, regionaal of lokaal niveau worden geboden. Concreet betekent dit dat de Unie slechts optreedt - behalve voor gebieden die onder haar exclusieve bevoegdheid vallen - wanneer haar optreden doeltreffender is dan een optreden op nationaal, regionaal of lokaal vlak. Subsidiariteit is nauw verbonden met het evenredigheidsbeginsel, dat inhoudt dat het optreden van de Unie niet verder moet gaan dan datgene wat nodig is om de in het Verdrag betreffende de Europese Unie bepaalde doelstellingen te bereiken.

INSTELLINGEN

Europees Parlement

Het Europees Parlement bestaat uit de vertegenwoordigers van de 370 miljoen burgers van de Europese Unie. Deze worden sinds 1979 door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen gekozen, zijn thans 626 in aantal en zijn verdeeld volgens de omvang van de bevolking van de respectieve lidstaten; de verdeling is gecorrigeerd ten gunste van de minst bevolkte landen.

De voornaamste functies van het Europees Parlement zijn:

    · het is tezamen met de Raad betrokken bij het wetgevingsproces volgens verschillende regelingen, vaak als medewetgever;

    · het heeft ten aanzien van de activiteiten van de Unie controlebevoegdheid door de investituur van de Europese Commissie (en de mogelijkheid om deze tot aftreden te dwingen) alsmede door middel van de schriftelijke en mondelinge vragen welke het tot de Commissie en de Raad kan richten;

    · het deelt met de Raad de begrotingsbevoegdheid door het goedkeuren van de jaarlijkse begroting, door deze executoir te maken door middel van de handtekening van de voorzitter van het Parlement en door toe te zien op de uitvoering van de begroting via de stemming waardoor aan de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting wordt verleend.

Het Europees Parlement kan tijdelijke enquêtecommissies aanstellen, waarvan de bevoegdheden niet beperkt zijn tot de activiteiten van de communautaire instellingen, doch zich ook kunnen uitstrekken tot het optreden van de lidstaten bij de uitvoering van het communautair beleid.

De afgevaardigden worden naargelang van het land op nationale of regionale lijsten gekozen.

Raad van de Europese Unie

De Raad van ministers van de Unie is het belangrijkste besluitvormende orgaan van de Europese Unie. De Raad is samengesteld uit de ministers van de vijftien lidstaten die bevoegd zijn voor het onderwerp dat op de agenda staat, bijvoorbeeld Buitenlandse Zaken, Landbouw, Industrie, Vervoer. Het voorzitterschap van de Raad wordt door elke lidstaat van de Unie bij toerbeurt uitgeoefend voor een termijn van zes maanden. De besluiten van de Raad worden voorbereid door het Comité van permanente vertegenwoordigers van de lidstaten (Coreper), dat wordt bijgestaan door werkgroepen bestaande uit ambtenaren van de nationale administraties. Het comité voert ook de door de Raad verstrekte opdrachten uit.

De Raad beslist met gekwalificeerde meerderheid of met eenparigheid van stemmen, naar gelang van de rechtsgrond van het aan te nemen rechtsbesluit. In het kader van de Europese Gemeenschap wordt het vaakst de regel van de gekwalificeerde meerderheid toegepast.

Voor procedurekwesties worden de beslissingen bij gewone meerderheid genomen.

Europese Commissie

De Europese Commissie is een instelling met initiatiefrecht en met bevoegdheden op het gebied van uitvoering, beheer en controle. Zij belichaamt het algemeen belang.

De Commissie is een college van 20 onafhankelijke leden (2 leden voor Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk en 1 lid voor elk van de overige landen), van wie een voorzitter en twee vice-voorzitters. Zij wordt in onderlinge overeenstemming voor 5 jaar door de lidstaten benoemd; en er vindt een investituurstemming plaats in het Europees Parlement, dat zij verantwoording verschuldigd is. De Commissie wordt bijgestaan door een administratief apparaat bestaande uit directoraten-generaal en gespecialiseerde diensten, waarvan het personeel grotendeels over Brussel en Luxemburg is verdeeld.

Hof van Justitie

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bestaat uit vijftien rechters, bijgestaan door negen advocaten-generaal, die in onderlinge overeenstemming voor zes jaar door de lidstaten worden benoemd. Het Hof heeft twee hoofdtaken:

    · het toetst het handelen van de Europese instellingen en de regeringen aan de Verdragen;

    · het doet op verzoek van een nationale rechter een uitspraak over de uitlegging of de geldigheid van het communautair recht.

Het Hof wordt bijgestaan door een in 1989 opgericht Gerecht van eerste aanleg, dat met name de geschillen tussen de Europese instellingen en hun personeelsleden behandelt, alsook de geschillen betreffende de uitvoering van de communautaire mededingingsregels.

Rekenkamer

De Rekenkamer bestaat uit vijftien leden die - na raadpleging van het Europees Parlement - met eenparigheid van stemmen door de Raad van de Unie worden benoemd voor een periode van zes jaar. Zij controleert de wettigheid en regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven van de Unie en gaat tevens na of een goed financieel beheer wordt gevoerd.

VERDELING VAN DE BELEIDSTERREINEN

Pijlers van de Europese Unie

In het communautaire jargon is er sprake van drie pijlers van het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarmee de drie categorieën worden aangeduid voor de verdeling van de verschillende gebieden waarop de Unie in verschillende mate en op verschillende manieren optreedt:

    · eerste pijler: de communautaire dimensie, die overeenkomt met de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de EGKS en Euratom: burgerschap van de Unie, beleidsterreinen van de Gemeenschap, Economische en Monetaire Unie, enzovoort;

    · tweede pijler: het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, dat wordt behandeld in titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie;

    · derde pijler: de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, die wordt behandeld in titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

Het onderscheid tussen deze drie pijlers houdt voornamelijk verband met de bepalingen die erop van toepassing zijn. Voor de eerste pijler wordt de communautaire methode gehanteerd, voor de tweede en de derde pijler de intergouvernementele methode.

METHODEN

Communautaire en intergouvernementele methoden

De communautaire methode is de institutionele werkwijze van de eerste pijler van de Europese Unie. Zij berust op de integratiegedachte en wordt in het bijzonder gekenmerkt door de volgende hoofdelementen :

· exclusief initiatiefrecht van de Commissie;

· algemeen gebruik van de stemming met gekwalificeerde meerderheid in de Raad;

· actieve rol van het Europees Parlement, dat vaak medewetgever is, samen met de Raad;

· uniforme uitlegging van het Gemeenschapsrecht door het Hof van Justitie.

De methode die in de tweede en de derde pijler wordt gebruikt, is nauw verwant aan de intergouvernementele methode. Het onderscheid met de intergouvernementele methode is dat de Commissie het initiatiefrecht deelt met de lidstaten, dat het Parlement op de hoogte wordt gehouden en wordt geraadpleegd en dat de Raad dwingende besluiten kan aannemen. Over het algemeen beslist de Raad met eenparigheid van stemmen.