Home

Trefwoorden

Economisch en Sociaal Comité

Het Economisch en Sociaal Comité werd in 1957 opgericht om de belangen van de verschillende economische en maatschappelijke categorieën te vertegenwoordigen. Het Economisch en Sociaal Comité telt 222 leden, die over drie groepen zijn verdeeld: werkgevers, werknemers en vertegenwoordigers van specifieke activiteiten (landbouwers, ambachtslieden, midden- en kleinbedrijf en industrieën, vrije beroepen, vertegenwoordigers van consumenten, enzovoort). De leden worden voor vier jaar door de Raad met eenparigheid van stemmen benoemd, en de benoeming kan voor vier jaar door diezelfde Raad worden verlengd.

Het Comité wordt geraadpleegd voor de goedkeuring van een groot aantal besluiten betreffende de interne markt, onderwijs, consumentenbescherming, milieu, regionale ontwikkeling en op sociaal gebied. Sedert de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam moet het Economisch en Sociaal Comité over een groter aantal onderwerpen worden geraadpleegd (nieuw werkgelegenheidsbeleid, nieuwe bepalingen op sociaal gebied, volksgezondheid en gelijke kansen). Het Comité kan ook op eigen initiatief adviezen uitbrengen.

Economische en Monetaire Unie (EMU)

De Economische en Monetaire Unie (EMU) behelst een proces dat door het Verdrag van Maastricht is ingesteld met het oog op de invoering van de euro en (daarnaast) het bewerken van stabiliteit en groei.

Zie:

Stabiliteits- en groeipact

Economische en sociale samenhang

De economische en sociale samenhang brengt de saamhorigheid tot uitdrukking tussen de lidstaten en de regio's van de Europese Unie. De doelstellingen zijn een evenwichtige en duurzame ontwikkeling, de verkleining van de structurele verschillen tussen regio's en landen, alsmede de bevordering van werkelijk gelijke kansen tussen personen. Daartoe worden diverse financiële steunvormen, met name de Structuurfondsen, ingezet.

Eenparigheid

Voor de besluiten die in de Raad worden genomen, betekent eenparigheid dat er verplicht overeenstemming moet zijn tussen de lidstaten die aan de stemming deelnemen; onthoudingen van andere lidstaten staan de eenparigheid niet in de weg. Over het algemeen neemt de Raad besluiten met eenparigheid van stemmen voor aangelegenheden betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (de tweede pijler) en het beleid inzake politiële en justitiële samenwerking (de derde pijler), maar ook betreffende fiscale bepalingen en cultuur (eerste pijler).

Zie:

Raad van de Europese Unie
Gekwalificeerde meerderheid
Pijlers van de Europese Unie
Communautaire en intergouvernementele methoden

Europa "à la carte"

Net als Europa "met variabele geometrie" heeft Europa "à la carte" betrekking op een gedifferentieerde wijze van integratie. Hierbij kunnen de verschillende lidstaten - net als op een menukaart - de beleidsterreinen uitkiezen waarop zij willen meewerken. Tegelijkertijd aanvaarden zij echter wel een minimum aantal gemeenschappelijke doelstellingen.

Zie:

Institutioneel Kader (één ...)
Nauwere samenwerking
Harde kern

Europa "met meerdere snelheden"

Het begrip Europa "met meerdere snelheden" dekt dezelfde lading als het begrip Europa "met variabele geometrie", maar voorziet erin dat de lidstaten die eerst geen deel wilden uitmaken van de groep lidstaten die een verder doorgedreven integratie wensten, zich later bij die groep kunnen aansluiten. Zie:

Institutioneel Kader (één ...)
Nauwere samenwerking
Harde kern

Europa "met variabele geometrie"

Met het begrip Europa "met variabele geometrie" wordt een integratiemodel bedoeld waarbij wordt erkend dat er een onderscheid bestaat tussen een groep lidstaten die de integratie verder willen doorvoeren en een andere groep lidstaten die dat niet willen of niet aankunnen.

Zie:

Institutioneel Kader (één ...)
Nauwere samenwerking
Harde kern

Europees Parlement

Het Europees Parlement bestaat uit de vertegenwoordigers van de 370 miljoen burgers van de Europese Unie. Deze worden sinds 1979 door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen gekozen, zijn thans 626 in aantal en zijn verdeeld volgens de omvang van de bevolking van de respectieve lidstaten; de verdeling is gecorrigeerd ten gunste van de minst bevolkte landen.

De voornaamste functies van het Europees Parlement zijn:

    ● het is tezamen met de Raad betrokken bij het wetgevingsproces volgens verschillende regelingen, vaak als medewetgever;

    ● het heeft ten aanzien van de activiteiten van de Unie controlebevoegdheid door de investituur van de Europese Commissie (en de mogelijkheid om deze tot optreden te dwingen) alsmede door middel van de schriftelijke en mondelinge vragen welke het tot de Commissie en de Raad kan richten;

    ● het deelt met de Raad de begrotingsbevoegdheid door het goedkeuren van de jaarlijkse begroting, door deze executoir te maken door middel van de handtekening van de voorzitter van het Parlement en door toe te zien op de uitvoering van de begroting via de stemming waardoor aan de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting wordt verleend.

Het Europees Parlement kan tijdelijke enquêtecommissies aanstellen, waarvan de bevoegdheden niet beperkt zijn tot de activiteiten van de communautaire instellingen, doch zich ook kunnen uitstrekken tot het optreden van de lidstaten bij de uitvoering van het communautair beleid.

De afgevaardigden worden naargelang van het land op nationale of regionale lijsten gekozen.

Zie:

Investituur van de Commissie
Nationale parlementen

Europese Commissie

De Europese Commissie is een instelling met initiatiefrecht en met bevoegdheden op het gebied van uitvoering, beheer en controle. Zij belichaamt het algemeen belang

De Commissie is een college van 20 onafhankelijke leden (2 leden voor Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk en 1 lid voor elk van de overige landen), van wie een voorzitter en twee vice-voorzitters. Zij wordt in onderlinge overeenstemming voor 5 jaar door de lidstaten benoemd en er vindt een investituurstemming plaats in het Europees Parlement, dat zij verantwoording verschuldigd is. De Commissie wordt bijgestaan door een administratief apparaat bestaande uit directoraten-generaal en gespecialiseerde diensten, waarvan het personeel grotendeels over Brussel en Luxemburg is verdeeld.

Zie:

Samenstelling van de Commissie
Investituur van de Commissie
Voorzitter van de Europese Commissie

Europese Gemeenschap

De Europese Gemeenschap is ontstaan door het Verdrag van Maastricht. Zij is in de plaats gekomen van de Europese Economische Gemeenschap. Zij bestrijkt onder andere de gebieden landbouw, douane-unie, milieu, vervoer, mededinging, vrij verkeer van personen, consumentenbescherming, monetair beleid en gemeenschappelijke handelspolitiek. Al deze beleidsterreinen vormen de zogenaamde eerste pijler (of de communautaire pijler). Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, waarop andere regels van toepassing zijn, vallen niet onder deze pijler.

Zie:

Pijlers van de Europese Unie
Communautaire en intergouvernementele methoden

Europese Raad

De Europese Raad, waarin de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van de Europese Unie en de voorzitter van de Europese Commissie bijeenkomen, is opgericht bij het slotcommuniqué van de Topontmoeting van Parijs van december 1974. Hij kwam in de plaats van de Europese topconferenties die kenmerkend waren voor de periode van 1961 tot 1974. De Europese Raad is door de Europese Akte juridisch bekrachtigd en heeft een officiële status gekregen in het Verdrag betreffende de Europese Unie. De Europese Raad komt ten minste tweemaal per jaar bijeen. De Europese Raad geeft de nodige impulsen voor de ontwikkeling van

de Europese Unie en stelt de algemene beleidslijnen ervan vast.

Zie:

Intergouvernementele Conferentie (IGC)

Europese Unie

De Europese Unie is in 1993 ingesteld door het Verdrag van Maastricht. De Unie wordt in het verdrag voorgesteld als "een nieuwe etappe in het proces van totstandbrenging van een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa". De Unie steunt op drie pijlers: de eerste pijler bestrijkt de "traditionele"communautaire dimensie (gemeenschappelijk landbouwbeleid, vervoer, interne markt, enz.), de tweede pijler het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de derde pijler de politiële en justitiële samenwerking. De tweede en de derde pijler verschillen van de eerste pijler door de voorschriften die erop van toepassing zijn.

Zie:

Pijlers van de Europese Unie
Communautaire en intergouvernementele methoden

Terug naar de inhoudsopgave